Pueritia et senectus secundum Stultitiam

Stultitiae Laus / Lof der Zotheid / The Praise of Folly

Chapter XIII

 
Desiderius Erasmus
 
Latin Nederlands

English

Principio quis nescit primam hominis aetatem multo laetissimam, multoque omnibus gratissimam esse? Vooreerst, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van de mens veruit het vrolijkst zijn en voor eenieder veruit het meest aangenaam? First of all, who wouldn’t know that man's infancy is by far the merriest part of life, and the most pleasant period for one and all?
Deinde quae succedit huic adolescentia, quam est apud omnes gratiosa, quam candide favent omnes, quam studiose provehunt, quam officiose porrigunt auxiliares manus? At unde, quaeso, ista iuventae gratia? Unde, nisi ex me? Cuius beneficio quam minimum sapit, atque ob id quam minime ringitur. En dan de jongelingsleeftijd, die hierop volgt: hoe geliefd is deze bij allen, hoe zuiver en oprecht wordt deze door allen begunstigd, met hoeveel toewijding helpen zij deze vooruit, hoe dienstvaardig reiken zij deze de helpende hand. Maar waar komt, vraag ik u, die genegenheid voor de jeugd vandaan? Waarvandaan behalve van mij? Door mijn goedertierenheid weet zij zo min mogelijk en maakt zich daarom zo min mogelijk zorgen. And then for youth, which comes next: how beloved it is by everyone, how sincerely all men favour it, how dedicatedly they strive to help their subjects on, how obligingly they offer to it a helping hand. And whence, I ask you, comes all this grace for the youth? Whence but from me? By my kindness they understand as little as possible and therefore their worries are as little as can be.
Quoque longius a me subducitur, hoc minus minusque vivit, donec succedat to chalepon gêras, id est, molesta senectus, non iam aliis modo, verum etiam sibimet invisa. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, des te minder en minder zij leeft, totdat ‘to chalepon gêras’*, dat wil zeggen de lastige ouderdom komt, die niet alleen bij anderen, maar zelfs ook bij zichzelf gehaat is. And the more the youth turns away from me, the less and less they live, until ‘to chalepon gêras’*, which means to say the burden of old age is approaching, something not only hated by others, but by themselves as well.
Quae quidem prorsum nulli mortalium foret tolerabilis, nisi rursum tantorum miseria laborum dextra adessem, et quemadmodum Dii Poetarum solent pereuntibus aliqua metamorphosi succurrere, itidem ego quoque iam capulo proximos denuo quoad licet, ad pueritiam eos revocarem. Unde non abs re vulgus eos palimpaidas appellare consuevit. Zij zou waarlijk voor niemand onder de stervelingen te verdragen zijn, als ik niet, uit medelijden met zoveel ellende, de helpende hand zou bieden en, zoals de Goden der Dichters gewoon zijn hen die in doodsnood verkeren via een of andere gedaantewisseling te hulp te komen, ik op dezelfde wijze hen, die reeds met één been in het graf staan, weer zoveel mogelijk tot de kinderjaren zou terugroepen. Vandaar dat het volk hen niet zonder reden palimpaidas (‘weer kinderen’) pleegt te noemen. It would truly be unbearable for anyone among the mortals if I, out of compassion for so much distress, were not to offer a helping hand and, just as the Poets' Gods are wont to aid those who are in danger of death with some metamorphosis, in the same way bring those who have already one leg in the grave back to a sort of childhood. Hence people call them, and not without reason, palimpaidas  (‘children again’).
Quid enim inter illos non convenit, nisi quod hic rugosior et plures numerat natales? Alioqui capillorum albor, os edentulum, corporis modus minor, lactis appetentia, balbuties, garrulitas, ineptia, oblivio, incogitantia, breviter omnia caetera congruunt. Quoque magis accedunt ad senectam, hoc propius ad pueritiae similitudinem redeunt, donec puerorum ritu, citra vitae taedium, citra mortis sensum emigrant e vita. Wat immers komt er tussen hen nou niet overeen, behalve dan dat de een wat rimpeliger is en wat meer jaartjes telt? Maar verder: de lichte haarkleur, de tandeloze mond, de kleine gestalte, trek in melk, gestamel, gebabbel, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid, kortom al het overige, hebben zij gemeen. En hoe dichter zij de ouderdom naderen, des te meer zij weer op kinderen gaan lijken, totdat zij als kinderen, nog zonder het leven zat te zijn en nog zonder de nadering van de dood te bemerken, het leven verlaten. For what is the difference between them, except that the one has more wrinkles and counts more years? But further, the brightness of their hair, the toothless mouth, the small stature, the appetite for milk, their stammering, chattering, foolishness, forgetfulness, thoughtlessness; in short, in all other properties and behaviour they agree. And the nearer they approach old age, the more they bear a similarity to children, until like children, without any weariness of life, and without noticing the onset of death, they pass away.
     

* Here Erasmus uses a Greek term within his Latin text.